Historie Van Marlehuis

Het Van Marlehuis is gelegen in de oude stadskern van Deventer, in de Polstraat, vlakbij de Lebuïnuskerk. Aan de achterkant van het pand heeft men een fraai uitzicht op de rivier de IJssel. Het is de voormalige woning van oud-burgemeester mr. H.R. van Marle. Dit monumentale pand heeft één van de fraaiste oude interieurs in de Deventer binnenstad. Een unieke locatie waar wij u graag verwelkomen.

Lees hier over de bouw- en bewoningsgeschiedenis van Polstraat 18:

 

1200 In de vroege middeleeuwen vormde de Polstraat de overgang tussen hogere gronden en een lager gebied aan de rivier de IJssel. Na het aanleggen van de verdedigingswal werd het gebied van de Polstraat gebruikt als tuinen en akkers. Rond het jaar 1200 werden hierop houten huizen gebouwd.

1350 Na de stadsbrand in 1334 werden in het gebied stenen huizen gebouwd, waaronder Polstraat 18. Op de hoek van de huidige steeg werden twee panden gebouwd, slechts gescheiden door een zogenaamde druipstrook.

1505 Omdat beide panden door de slappe ondergrond verzakten, werd in 1505 het linker pand tot aan de fundamenten afgebroken en, nu zonder druipstrook, opgebouwd. Hierdoor werd het pand breder en de overgang tussen de oude fundering en het metselwerk uit 1505 is vlak onder de gewelven nog goed te zien. Ook het rechter pand werd in de vroege 16e eeuw grotendeels herbouwd. De steeggevel dateert uit deze tijd. Er stonden in die tijd vier achterhuisjes langs de steeg, waarvan de resten nu de tuinmuur vormen.

1644 Vanaf 1638 woonde Jacob Hogers in het hoekpand. Zijn zoon Goswinus Hogers, de latere professor in de Historiën en de Welsprekendheid aan het Deventer Atheneum, nam het huis over en bij zijn trouwen kocht hij in 1663 het buurpand. Er volgde een jaar later een grote verbouwing, waarbij de twee panden werden samengevoegd. Zo kwam er een nieuwe voorgevel voor beide panden, vermoedelijk ontworpen door de Amsterdamse bouwmeester Philips Vingboons, die ook de nieuwe zijgevel van het Stadhuis aan de Polstraat ontworpen had. Achter de nieuwe gevel werd ook over beide panden een nieuwe verdieping met omlopend schilddak gebouwd. In 1696 werd het pand verkocht aan dr. Wolter ten Brink. Vervolgens woonde zijn dochter Aleyda, die met Christoffel IJssel huwde, in het pand en vervolgens ook hun dochter Woltera Jacoba. In 1769 moderniseerde zij met haar man Jan de Schepper het pand door onder meer een rijk rococo plafond met bijpassende schouw en lambriseringen aan te brengen. Hun zoon Bartold Jan IJsel de Schepper zette met zijn vrouw Gerhardina Dumbar het moderniseren voort: in de voorgevel kwamen grote houten kozijnen met houten schuiframen, zij vervingen de 16e eeuwse tussenmuur door een dunner muurtje, waarbij in de voorkamer het rococo interieur vervangen werd door een houten plafond, gestukadoorde schouw, lambrisering en een imitatie gobelin als wandbespanning. Bij imitatie gobelin wordt met een matte verf op een zeer grof weefsel geschilderd. Dit gobelin is nog altijd zeer luxueus en zeker zeldzaam, er zijn er maar weinig bewaard gebleven. Vroeg in de 19e eeuw werd het plafond wit geschilderd en het gobelin beplakt met biedermeier behang.

1865 Het huis werd in 1853 verkocht aan een handelaar uit Amersfoort, die het in 1864 doorverkocht aan mr. Hendrik van Marle. Zoon Ru van Marle werd in 1865 burgemeester van de stad Deventer. Naar hem is het pand vernoemd. In hetzelfde jaar werd een verdieping op de achterzaal gebouwd. Ook kreeg het pand zijn huidige achtergevel. De vier achterhuisjes langs de steeg verdwenen. De ramen in de voorgevel werden in 1800 vervangen door de huidige empire ramen. In het interieur kwam een nieuwe trap. Later in de 19e eeuw werden op de verdieping in de voorgevel ramen met ijzeren roeden aangebracht, evenals een groot venster in de achterzaal. Het geschilderde rococo behangsel werd in het begin van de 20e eeuw uit de achterzaal verwijderd. De erven van Van Marle verkochten het pand in 1927 aan Heinrich Diekman, een handelaar in textiel. Hij bracht het imitatie gobelin weer in het zicht, maar gebruikte het pand verder slechts als pakhuis. Aan die verwaarloosde toestand kwam een einde toen van 1996 tot 1998 de NV Bergkwartier, Maatschappij tot Stadsherstel een intensieve restauratie uitvoerde. De belangrijkste interieurdelen werden meteen behandeld. Er werd een restauratieplan uitgevoerd, waarvan de basis de situatie is zoals die in de tweede helft van de 19e eeuw ontstaan is. Alleen voor de voorzaal werd teruggegrepen naar de situatie rond 1800 om het gobelin in zijn oorspronkelijke setting te presenteren.